dinsdag 29 juli 2014

Hoe gemakkelijk reizen is als Nederlander / How easy it is to travel when you are from The Netherlands

Inmiddels zijn we 2,5 maand onderweg en hebben de volgende landen bezocht: Panama, Colombia, Ecuador, Peru en Chili. Tijdens deze reis zijn we medereizigers van over de hele wereld tegengekomen. Het is interessant om te leren hoe gemakkelijk wij het als Nederlanders, of EU-ers, hebben als het gaat om reizen, grenzen over gaan en waar je land mee wordt geassocieerd.

Als we terug in Europa zijn, zullen we de meeste grensovergangen via de lucht hebben gedaan, met uitzondering van Panama- Colombia en Peru-Chili. Mijns inziens zijn luchthavengrensovergangen wat makkelijkers dan de overgangen op de weg. Overal waar ik vertel dat ik Nederlands ben, met name tijdens het WK, was het direct een van de volgende uitspraken, in willekeurige volgorde:
- Robben!!!
- Holanda campione!
- Naranja Mechanica (de oranje machine, een naam die al sinds de jaren ’70 aan het Nederlands Elftal wordt gegeven)
- En het obligate “Amsterdam!” met alle bijbehorende producten

Tina wordt hier vaak aangezien als een Latina, maar haar gebrekkelijke Spaans verraad dat ze in elk geval niet van een Spaanstalig land komt. Ik bedenk me nu dat La Tina een prachtige artiestennaam voor haar is in deze regio! Vervolgens moet ze herhalen dat ze niet van Zwitserland komt, maar van Zweden (Suiza en Suecia ligt qua uitspraak dicht bij elkaar).

Maar dat is het wel zo’n beetje wat betreft moeilijkheden.

Amerikanen moeten voor veel landen geld betalen voor een visum om überhaupt de grens over te mogen. Een vreemde vorm van discriminatie, want Europeanen betalen niets. Ik heb geen idee waar dit onderscheid vandaan komt. Waarschijnlijk een compensatie voor de buitenproportionele porties eten dat ze zullen gaan consumeren, zodat er minder te eten overblijft voor de lokale bevolking.

In de auto op weg naar de boot die ons naar Colombia zou brengen zat een jongen uit Mexico. Bij een paspoortcontrole onderweg (waarom dat nodig was is mij niet duidelijk, midden in Panama) werden onze paspoorten opgevraagd. Een korte blik van de dienstklopper op die van mij was voldoende om het kennelijk prima te vinden. Dit ondanks dat mijn foto al lang niet meer lijkt! Toen de auto waarin de Mexicaan zat veel langer werd gecontroleerd werd door medepassagiers verteld dat Mexico een slechte reputatie heeft in de rest van Latijns Amerika. De Mexicaan in kwestie vertelde later dat hij vaak problemen heeft om de grens over te komen, simpelweg omdat landgenoten van hem zich bezig houden met internationale drugssmokkel. Let wel, de jongen uit Nieuw-Zeeland in diezelfde auto had op dat moment enkele grammen cocaïne op zak.

Op weg naar het park in Bogota waar de eerste voetbalwedstrijd van Colombia op groot scherm werd getoond, deelden we een taxi met een reislustige Colombiaanse jongen die vanwege zijn gezondheid even terug in eigen land was. Wat de Mexicaan ondervond in het klein, maakte deze jongen mee in het groot. Hij wilde vanuit Peru de grens met Bolivia oversteken, en werd op basis van zijn Colombiaanse nationaliteit tegen gehouden. Hij diende meer formulieren in te vullen. Braaf voldeed hij aan de eis, om vervolgens te horen dat hij nog een ander formulier nodig had, bij weer een ander loket. Na enkele malen van de grens naar een andere balie te zijn gestuurd, werd hem simpelweg medegedeeld dat hij niet welkom was in Bolivia. “We houden niet van Colombianen hier.” Colombia heeft nog altijd het stigma van drugsland nummer 1, terwijl we allemaal weten dat Colombia inmiddels van de eerste plaats is verstoten door Venezuela. Vervolgens liep hij gewoon de grens over en werd hij niet tegengehouden. Fantastische grensbewaking. Illegaal in Bolivia, wat hem ook weer problemen gaf tijdens een grensovergang met Chili...

Over illegaal in een land zijn gesproken. De eerste dag in Colombia hadden alle passagiers van de boot geen paspoort, omdat de kapitein via een bepaalde truc de immigratie zelf in een dag moest regelen. De Noor en het Zwitserse stel ontploften zowat. “Ik heb mijn paspoort nodig! Ik wil nu mijn paspoort!”. De Israëliër was minder zenuwachtig. Voor hem was niet de eerste keer dat hij zonder paspoort in een ander land was. Maar dit was tijdens zijn militaire dienst, tijdens serieuze militaire acties in buurlanden – in het holst van de nacht, met verschillende leeftijdsgenoten die nu in dezelfde groepssamenstelling Latijns Amerika onveilig maken.


Wij zullen nog grensovergangen van Chili naar Bolivia, Bolivia naar Brazilië ondergaan. Daarna van Brazilië via de EU naar Engeland en weer de EU. Het zal vast weer gladjes verlopen.

---English

We are 2.5 months on the road and we visited the following countries: Panama, Colombia, Ecuador, Peru and Chile. During this trip we met fellow travellers from all over the world. It is interesting to see how easy it is coming from the Netherlands, or any EU country, when it comes to travelling, crossing borders and what you are being associated with.

The moment we will be back in Europe we will have crosses borders mostly on airports, with the exception of Panama-Colombia and Peru-Chile. My view is that airport border crossings tend to be easier than crossings on the road. Everywhere where I tell that I am from The Netherlands, especially during the World Cup, one of the following phrases I heard, in random order:

- Robben!!!
- Holanda campione!
- Naranja Mechanica (The Orange Machine, a pet name given to the Dutch National Football Team since the seventies)
- And the obligated “Amsterdam!” with all its well-known products

Sometimes people think that Tina is a Latina, but her Spanish gives away immediately that at least she does not come from a Spanish speaking country. I realise now that “La Tina” is a perfect stage name for her in this region! And always she has to explain that she is not from Switzerland, but from Sweden (Suiza and Suecia are very close in pronunciation).

But that is about it when it comes to difficulties we face.

Americans have to pay extra for a visa to be able to cross some borders. A strange form of discrimination,
because Europeans do not pay anything. I have no idea where this segregation comes from. I can only surmise that it is to compensate the country for the humongous portions of food the Americans will consume, leaving less for the local people.


In the car that would bring us to the boat to Colombia there was one guy from Mexico. At a passport checkpoint (why they had such a checkpoint in the middle of Panama was not clear to me) our passes were checked. A short glance at mine was enough for the martinet to give it back to me. Even though my picture does not look like me at all anymore!
When the car with the Mexican was checked for a way longer time, other passengers told me that Mexico has a bad reputation in the rest of Latin America. The Mexican told us later that he faces problems crossing borders many times, simply because he is from Mexico. Please note that the guy from New-Zealand in the same car carried several grams of cocaine at that time.



On our way to the park in Bogota where the first match of Colombia would be shown on a big screen, we shared a taxi with a Colombian guy who had travelled a lot, but was back in his home country for a while for health reasons. The experience of the Mexican, was topped by the Colombian. He wanted to cross the border from Peru to Bolivia, but based on his Colombian nationality he was stopped. He had to fill in more forms. He obeyed without complaining, only to hear that he had to fill in even more forms. Several times he was sent from one desk to another, finally to hear that he was not welcome. “We do not like Colombians”. Colombia still has the stigma of being the number 1 drugs country in the world, whereas we all know that the country has been pushed to number 2 in favour of Venezuela some years ago. After that he simply walked across the border without being stopped. Fantastic border control. Illegal in Bolivia for weeks, what led to troubles again when he wanted to cross the border to Chile…

Speaking of being illegal in a country, on the day of arrival in Colombia all passengers of the boat did not have their passports, because the captain had to clear us through immigration himself due to an administrative trick that saved him money. The Norwegian guy and the Swiss couple almost exploded. “I need my passport! I want my passport now!”. The Israeli was not that nervous. It turned out not to be the first time for him to be in a country illegally without passport. But that was during his military service, during serious military actions in neighbouring countries – in the middle of the night, with several buddies of the same age, who now in the same sized groups of fellow-Israeli roam the streets of Latin America.


Tina and I will face borders from Chile to Bolivia, from Bolivia to Brazil and then from Brazil to EU, to the UK and EU again. I am sure we will be fine.

zondag 27 juli 2014

Oplichting, onder het motto: wie niet waagt wie niet wint / Scamming, no pain no glory

De laatste dagen in Peru waren we in Arequipa; na Lima de grootste stad van het land. Waar we op de taxichauffeurs na altijd nooit zijn opgelicht (voor zover we weten) deze reis gebeurde het bijna twee keer op een dag alsnog in Peru.

Omdat we naar Chili wilden, moesten we eerst een bus nemen naar Tacna, een stadje op de grens met Chili. Van de tientallen reisbureaus koos ik het bureau dat het er het meest professioneel uitzag. We hadden al ingeïnformeerd naar de prijs en kwamen uit op ongeveer 45 sol; zo’n 11 euro. Het “professionele” bureau bood een onbekende organisatie aan voor 50 sol. Vooruit dan maar, dacht ik, en kocht twee tickets. De ochtend erop lieten we onze tickets zien op het busstation en de vrouw achter de balie vroeg hoeveel we ervoor hadden betaald. “50 sol”, zei ik. “In totaal?”, vroeg ze. “Nee, per ticket”. Toen ze weer wat kleur in haar gezicht kreeg, zei ze: “Dan zijn jullie opgelicht, want een ticket kost 20 sol...”. Dat was een fijn begin van de lange reisdag, want terug gaan naar het reisbureau was niet meer mogelijk...

In de bus naar Tacna kwamen we een Engels stel tegen dat we in Machu Picchu hadden ontmoet. Ze spraken vloeiend Spaans en samen zochten we in Tacna naar een manier om de grens over te gaan. Een jongen in een trainingspak en baseball-pet, naam doet er niet toe (Jorge), bood aan ons te helpen. Dat leidde tot een prachtige slap-stick. Er zijn namelijk officiële instanties in het busstation die de grensovergang voor je regelen en er zijn loopjongens die je helpen met alles er om heen. Jorge was zo’n loopjongen. Eerst al zei hij dat een taxi 125 sol kost, terwijl wij wisten dat het 100 sol was. “Maar er moet wel belasting betaald worden om de grens over te gaan”. En tegen het Engelse stel, wijzend naar ons: “Zij spreken geen Spaans hè? Nee, dan moeten ze 20 sol belasting betalen om Chili in te komen. Dit kun je aan mij betalen.”.

“Onzin!” zei de vrouw van de officiële instantie vanachter haar bureau.
Jorge: “Er moet ook belasting betaald worden om in te mogen stappen”. Daar waren we mee bekend, elk busstation kent een lokale belasting van hooguit een paar sol als ware het luchthavenbelasting.
“Hoeveel is die belasting?” vroeg de Engelsman.
“2 sol. Geef het geld en ik regel het voor je.”, zei Jorge.
“Niet waar! 1 sol!” riep de mevrouw vanachter haar bureau, die zich langzaam maar zeker meer begon te schamen voor het gedrag van Jorge.

Op dat moment komt er een poilitievrouw op ons af en neemt ons apart. Ik dacht, ohoh, zelfs de politie speelt onder een hoedje met de lokale mensen hier – iets wat ik al had meegemaakt in Panama. Niets bleek minder waar: ze wilde weten wat hij aanbod en zei ons dat we onder geen beding iets via hem moesten regelen. Ze vertelde dat hij een notoire oplichter was. Ze liet ons de werkelijke bedragen zien en escorteerde ons naar een officiële grenstaxi. Deze chauffeur hielp ons netjes de grens over. Tot ziens Peru, hallo Chili!

----English

The last days in Peru we spent in Arequipa: the second largest city of the country. Apart from the various taxi drivers we have not been scammed (as far as we know) until the last days in Peru, when it almost happened twice in one day.

Because we wanted to go to Chili, we had to take a bus to Tacna first. Tacna is a town near the border with Chili. From the dozens of travel agencies available in town, I picked the one that looked the most reliable and professional. After some surveying we knew the price should be around 45 sol; approximately 11 euros. The “professional” agency offered a bus company unknown to me for 50 sol. Well, all right then, and I bought two tickets. The morning after we showed our tickets at the bus station and the lady asked how much we paid for them. “50 sol” I said. “In total?”, she asked. “No, per ticket”. After some colour re-emerged in her face, she said: “You have been scammed. A ticket costs 20 sol each.”. That was a nice start of a long travel day, because going back to the agency was not possible anymore.

In the bus to Tacna we met an English couple we met before in Machu Picchu. They spoke Spanish fluently and in Tacna we looked for a way to cross the border together. A guy in tracksuit and a baseball cap, his name does not matter (Jorge), offered to help us with all the administrative and logistical stuff. That led to a funny slap-stick. There are official organisations that help you crossing the border by preparing all the paperwork, and there are middlemen that help you with everything else. Jorge was a middleman. First he told us that the taxi would cost 125 sol, even though we knew that it should be 100 sol. “But you have to pay tax to cross the border”. And directed to the English couple, pointing at us: “They do not speak Spanish, do they? No? Then they have to pay 20 sol tax each to get into Chili. They can pay that to me directly.”.

The woman of the official organisation overheard us and said from behind her desk: “Bogus!

Jorge: “You have to pay tax to embark the taxi”. We were familiar with that tax. Every bus station has a local tax you have to pay before boarding the bus. Usually a couple of sols, and it is like an airport tax.

“How much is that tax?”, the Englishman asked.

“2 sol. Give me the money and I fix it for you”, Jorge said.

“Not true! 1 sol only!” the lady shouted from behind her desk. She must have felt more and more embarrassed by the behaviour of our sporty-dressed middleman.


After that a female police officer joined us and pulled us over. I thought, wow, even the local police is in on this – like I experienced in Panama. But it turned out to be quite the contrary: she wanted to know what he offered and advised us strongly not to do any business with this man. She explained that this man was a notorious crook. She showed us the real amounts and escorted us to an official taxi without further ado. This driver helped us to cross the border nicely. Bye bye Peru, hello Chile!

maandag 21 juli 2014

The Machu Picchy Industry

Wanneer je naar Peru gaat, moet je natuurlijk Machu Picchu gezien hebben. Dat is wat elke gids zegt. Maar wat het meest interessant is, is de toeristen-industrie rondom deze Inca-stad.

Een trip naar MP begint voor velen in Cusco. Of voor de echte diehards op internet, want de beroemde Incatrail is al maanden van te voren volgeboekt. Maar er zijn veel alternatieven. Wanneer je Cusco binnen rijdt, kom je eerst door het échte Cusco: de voor een arme omgeving karakteristieke betonnen straten met veel gaten, kleine vervallen huizen en vooral overal troep. Van bouwmateriaal tot huisvuil, met bijbehorende roedels van straathonden (allemaal vuilnisbakkies). En te midden van deze chaos zijn er overal winkeltjes die hetzelfde verkopen, tot rauw vlees open en bloot op een tafel aan de straat aan toe. Maar dat laat je al snel achter voor een historisch centrum  met straten van kasseien en een prachtig onderhouden plein. Rondom dit plein staan twee in het oog springende kerken en voor de rest gerestaureerde oude gebouwen. In deze gebouwen huizen met name reisbureaus en heel onopvallend alle multinationals die je in de rest van de wereld vindt (KFC, McDonald’s, Starbucks, etc). Dus ver weg van de realiteit van Cusco.



Elke tweede persoon spreekt je aan: massages, truien, mutsen, handschoenen (overigens geen overbodige luxe, want zodra de zon weg is, is het k-k-k-koud!), zonnebrillen en natuurlijk tours naar Machu Picchu. Uiteindelijk wil iedereen een graantje meepikken van de enorme stroom toeristen.

Op de dag dat onze tweedaagse MP trip begon bleek dat de taxibus vol zat met mensen die bij verschillende bureaus geboekt hadden, elk met hun eigen prijs. Mocht het nog niet duidelijk zijn hoe de toeristenindustrie is toegeslagen in Cusco, dan bleek het wel uit hoe de taxi ons naar de volgende bestemming bracht. Er was geen minuut tijd om te genieten van het ontzagwekkende uitzicht (bijvoorbeeld een korte pauze boven op de top van de pas op 4300 meter hoogte, letterlijk boven de wolken die dag). 
Nee, vamos, vamos, vamos. En scheuren dat die gast deed. De lunch was een aanfluiting; we hebben wel geleerd dat de Spaanse interpretatie van al dente pasta ongekookte pasta is. Onderweg pikte de chauffeur nog vijf extra reizigers op, waardoor twee mensen op de grond in de auto moesten zitten, terwijl hij het extra geld nog eens natelde voordat hij het in eigen zak stak.

Over een bijzonder slechte weg kwamen we uren later eindelijk aan bij Hydroeletrica, een gehucht dat zijn naam dankt aan de electriciteitscentrale die er staat. Hier is het begin van de trainrails en de wandeling naar Aguas Calientes, een voor ons op dat moment nog onbekend plaatsje.
Bij aankomst leek het dorpje nog het meest op een uit de grond gestampt skidorp zoals je ze vindt in de Franse Alpen. Niets authentieks te vinden, behalve de natuurlijke warm-water bronnen. Vervolgens een ruim uur gewacht op de gids, die daarna nog een halfuur nodig had om enige orde in zijn eigen chaos te scheppen. In gebroken Engels leidde hij ons naar het hostel, waar vervolgens ter plekke de kamerindeling werd verzonnen. Het was een wonder dat stelletjes bij elkaar belandden... Uit niets bleek dat hij doorhad te maken te hebben met mensen die dit voor de eerste en waarschijnlijk laatste keer doen. Of misschien juist wel, getuige het lopende bandwerk van het niveau van de Cambodjaanse telefoons van Samcung Gaiaxy. In een restaurant vergeven van de kakkerlakken aten we een zeer goedkope maaltijd voordat we tussen de klamme lappen doken.

In de hele vroege ochtend (4:00u) kregen we ontbijt en konden we gaan lopen richting MP, dat om 6 uur de poorten zou openen. Toen wisten we nog niet dat de brug die over de rivier ligt pas om 5:00u open ging. Doordat we zo vroeg waren, stonden we wel zo goed als vooraan, terwijl de rij mensen langzaam aangroeide. Dit alles in het pikkedonker.

De klim omhoog in deze jungle-achtige omgeving had iets weg van het videospel Far Cry, met het verschil dat je niemand neer hoefte te knallen. De brug met bewakers ging open op vertoon van de juiste papieren en gaan met die banaan. Het pad was een serieuze klim 500 hoogtemeters, 4 kilometer lang, met honderden anderen hijgend in je nek. Een ruim halfuur later hoorde je het gegrom van de eerste bussen (waarvoor je ook uren in de rij moest staan) die aan hun klim begonnen onheilspellend aanzwellen ergens onder je; het enige dat te zien was ver beneden was de verlichte brug en wat koplampen die door de bladeren van de bomen schenen. 

Boven je zag je contouren van de bergtoppen; een mooi gezicht en tegelijk het besef dat je nog heel wat te klimmen had. Ondertussen was een vreemde combinatie van saamhorigheid en concurrentie ontstaan tussen de klimmers; iedereen wist dat hoe eerder je boven kwam, hoe groter de kans dat je het ultieme doel kon bereiken, maar tegelijk wist je ook wel dat je vroeg genoeg was om het samen te kunnen beleven. Het gecultiveerde ultieme doel is natuurlijk de foto van MP zonder andere mensen erop! Dat je dit ook op Google kunt vinden, maakt niet uit. Iets voor zessen stond er bovenaan al een rij van 500 opgetogen mensen te wachten om naar binnen te mogen. 



Toen de deuren open gingen en we op weg gingen naar de plek waar we allemaal al honderden foto’s van hebben gezien, werd de spanning perfect opgebouwd door een slingerend pad omhoog. Het laatste gedeelte was afgeschermd door bomen, dus zodra je uit deze rij met bomen stapt, zie je voor je wat je al zo goed kent: de ruïnes van Machu Picchu. Er ontstond een uitgelaten sfeer tussen de mede-klimmers en natuurlijk maakt je dan foto’s van en voor elkaar.



Daarna nog driekwartier wachten op de zonsopgang onder begeleiding van de stroom mensen die net als jij deze dag hebben uitgekozen om naar MP te gaan. En dat zijn er veel! Heel veel... Na twee uur stonden alle ruïnes vol met mensen en hun gids, herkenbaar aan een gekleurd vlaggetje. Toen wij om 10:30u het wel hadden gezien, kwam de ontzettende mensenstroom naar binnen pas echt op gang. Wij liepen alweer naar beneden, om in het nepdorpje voor veel te veel geld heel slecht eten te bestellen.

Machu Picchu is prachtig en de omgeving is adembenemend mooi, maar de industrie er omheen maakt dat je je meer in Disneyworld waant dan in een historisch-archeologische plek. 2500 mensen per dag is gewoon te veel. De 500 mensen die elke dag de Incatrail lopen zouden eigenlijk de enigen moeten zijn die er mogen komen, niet in de laatste plaats omdat deze historische plek erg kwetsbaar is; misschien niet eens geschikt voor massatoerisme. Die tocht is echt zwaar naar ik heb gehoord en maakt de beleving een stuk authentieker. Misschien samen met een alternatief route. De mensen die werken in het toerisme weten dat de meeste bezoekers toch maar één keer komen, dus de service zal hun een zorg zijn. Totdat Tripadvisor en dergelijke nog meer exposure krijgt, zodat het hopelijk wat normaliseert.

-------English ----------
When you visit Peru, you have to see Machu Picchu. That is what every book tells you. But what might be even more interesting is the tourist industry around this Inca city.

A trip to Machu Picchu starts for many in Cusco. Or for the real die-hards on the internet, because the famous Inca trail is booked months and months in advance. But there are many alternatives. When you enter Cusco, you first see the real Cusco: concrete streets with many holes, small ruined houses and lots of litter, typical for a poor environment. From construction waste to home garbage, with the complementary groups of stray dogs fighting for their food and territory. In the middle of this there are little stores everywhere selling the same products, even raw meat out in the open on tables at the sidewalk. But when the bus continues, you will leave that behind and enter the historic centre, with cobble stone streets and a nicely maintained square. This square is surrounded by two large churches and old restored houses. In these buildings you will mainly find travel agencies and very discrete all multinationals from the rest of the world (KFC, McDonald’s, Starbucks, etc.). So far away from the reality of Cusco.

Every second person approaches you with a purpose: massages, sweaters, hats, gloves (which is not an unnecessary luxury, because when the sun is gone it gets c-c-c-cold!), sunglasses and of course all kinds of tours to Machu Picchu. Ultimately everyone wants to benefit from the enormous flood of tourists.

At the day our two-day MP trip began, it turned out that the van was filled with people that had booked at different agencies, each with their own conditions. If it was not clear how the tourist industry has hit Cusco, the way the taxi transported us to our destination did. There was not a minute to enjoy the spectacular views (for example a short stop at the peak at 4300 meters, literally above the clouds that day). No, vamos, vamos, vamos. And what a heavy foot that driver had! The lunch was a disgrace; the one thing we learned was that the Spanish interpretation of al dente pasta is uncooked pasta. Halfway the driver allowed five more travellers in the van, so two persons had to sit on the floor of the bus. All the extra money went directly into his own pockets.

Over a very bad road hours later we finally arrived at Hydroelectrica, a hamlet that owes its name to the power plant there. This is the start of the train tracks to Aguas Calientes, unknown to us at that moment. At arrival it turned out to be an artificial village like the ski villages you can find in the Alpes. Nothing authentic to be found there, apart from the hot springs. After our hike we had to wait for an hour before our guide arrived, after which he needed another half-hour to apply some structure to his own chaos. In bad English he escorted us to our hostels, where he made up the groups per room at the spot. It was a miracle that the couples ended up in the same room… Nothing made us believe that he realised that he works with people for whom it is a once-in-a-lifetime experience. Or perhaps he did, due to the conveyer belt like level of service, similar to the Cambodian phones of Samcung Gaiaxy. In a cockroach filled restaurant we had our cheap dinner before we went to bed.

In the early morning (4:00h) we were served breakfast and we could start our hike to Machu Picchu, which would open its gates at 6:00h. At that time we did not know that the bridge over the river would not open before 5:00h. Because we were so early, we were almost in the front of the ever growing line. All of this in the dark.

The hike uphill and the surroundings reminded me of the video game Far Cry, with the difference that you did not have to shoot anybody. The bridge opened when you showed the correct papers and off you went. The path was a serious climb of 500 altitude meters, 4 kilometres long, with hundreds of other hikers heavily breathing in your neck. A fair half-hour later you could hear somewhere far below you the ominous roaring of the first busses (for which you had to wait hours as well) slowly making their way uphill, too. The only thing you could distinguish far down was the illuminated bridge and the headlights of the busses shining through the trees. Above you could see the silhouettes of the mountain tops; a beautiful sight. At the same time it made you realise that you had to climb a lot more… Meanwhile a strange combination of competition and solidary grew; everybody knew that the sooner you reached the top, the higher the chance that you realised the ultimate goal, being a photo of MP without other people. At the other hand the first ones knew that you could enjoy this moment together with the fellow early birds. That you can find this on Google does not really matter apparently. Shortly before 6 we were amongst the first 20 people waiting to pass the gates. When the doors opened and we were on our way to the place we all knew too well from the hundreds of pictures we have seen before, the suspension was build up perfectly by the trees blocking the view during your final ascent. And there it was: the lost Inca town Machu Picchu. In an elevated mood (pun intended) the fellow early birds made pictures of themselves and each other.

After that we waited for 45 minutes for the sunrise, accompanied by the first flood of people who like us picked this very date the visit Machu Picchu. And that is a lot of people. Two hours later the ruins were filled with visitors and their guides, recognisable by coloured flags. While we made our way out of the site at 10:30h, the real stream of visitors started. But we were on our way to the fake village down, to order a bad meal for too much money.

Machu Picchu is incredible and the scenery breath-taking, but the industry around this site makes you think you are in Disney World more than on a historical-archaeological site. 2500 people a day is simply too much; for starters because this historical city is very vulnerable, maybe not even suited for mass tourism. The 500 people allowed to do the original Inca trail a day, should be the only ones that can visit the place. That hike is tough and makes the experience much more authentic, so I have heard. Perhaps together with one alternative route. The people working in the tourist industry realise that the vast majority of the visitors will do this only once, so they cannot be bothered by providing good service and a unforgettable experience. Until TripAdvisor gets more exposure than it already does, which hopefully normalises this industry a bit.

maandag 7 juli 2014

(Het gevoel van) veiligheid in Zuid-Amerika / (The sense of) safety in South America

Waar armoede is, is criminaliteit. Dat is ook meteen het bewijs dat er wel degelijk armoede is in Nederland.

We vlogen naar Panama. “Oei, Panama...” zei iedereen na de verhalen over de twee vermiste meisjes. Immers, twee knappe jonge Nederlandse meisjes moeten toch wel zijn ontvoerd! Ik sprak mensen in Panama Stad die niet meer naar Boquette durfden vanwege dit. Uiteindelijk blijken ze naar alle waarschijnlijkheid verdwaald; een triest geval van eigen fouten, maar geen gevolg van criminaliteit...

In februari was ik in het noorden van Mexico, waar we niet de straat op mochten* en waar schietpartijen (wat een mooi woord is dat toch, schietpartij. Net als steekpartij, het klinkt als een feestje) aan de orde van de dag waren. De Nederlandse overheid waarschuwt voor feitelijk alle landen waar we zijn geweest of nog naar toe gaan. Dus ik ben overal op mijn hoede. Maar het slijt.

Elk land heeft zo zijn eigenaardigheden ten aanzien van veiligheid en bijvoorbeeld diefstal. In de grote winkelstraat in Panama Stad mocht je nergens met een tas naar binnen. Zelfs niet met een zorgvuldig dichtgeniete tas van de winkel aan de overkant, inclusief bonnetje. Dus was er naast elke winkel een kleine garderobe, waar je al je spullen in moest achterlaten in ruil voor een mandje. Dat maakte het in en uit gaan van verschillende winkels erg lastig zodra je iets had gekocht. Een andere vorm van beveiliging was de persoonlijke stalker: zodra je de winkel binnenstapte had je iemand die je op een meter afstand volgde totdat je het pand weer verliet.

Toen we voet aan wal zetten in Cartagena, Colombia, had ik het gevoel dat er mensen op de loer lagen om op elk willekeurig onbewaakt moment een graai te doen naar de tassen die op de stoep lagen. Taxichauffeurs zijn standaard niet te vertrouwen. Uiteindelijk bleek Cartagena niet onveiliger dan Deventer (wat zoals we allemaal weten een viese asostad is). Een Engelse reisgenoot sprak op een dagtocht kort met een man die in de buurt woonde. Het gesprek eindigde in een afscheidsomhelsing. Dat de Engelsman direct daarna controleerde of zijn portemonnee nog in zijn zak zat is hilarisch natuurlijk.

Taganga stond bekend om de 100% kans op een overval op de route naar een bepaald strand, of zodra het donker was in elke willekeurige straat. Met het hart in de keel liep ik door deze zandwegen met meer kraters in het wegdek dan er op de maan zijn. Elk individu was een potentiële dief. De wijk die je doormoet om in Taganga te komen was een sloppenwijk, waar fietsers het niet in hoofd moesten halen om te stoppen. Zo’n wijk dus. Zo’n omgeving dus. Taganga had een hele slechte reputatie, maar het afgelopen jaar zijn er wat “schoningsacties” geweest en het is er net zo veilig als de Vogelaarwijk "Rivierenwijk" in Deventer.

Het gekke is dat zodra je wordt omringd door met name mede-reizigers in een park waar je toegang voor moet betalen (bijvoorbeeld Tayrona Park) het gevoel van veiligheid enorm toeneemt. Terwijl we van de 72 jaar oude Noor Steinar hebben geleerd dat juist deze groep een risico vormt. Ik citeer: “Backpackers hebben geen geld en zijn voortdurend dronken en/of high. Zodra ze iets van waarde zien zullen ze het stelen als ze de kans krijgen”. Dat je waardevolle spullen ook gewoon ergens kunt laten liggen kwam niet in hem op. Het zal de leeftijd zijn geweest.

De wandelroute naar de bergtop in Bogota staat bekend als een risicogebied, volgens de Lonely Planet. Dus ik liet zo veel mogelijk waardevolle spullen in ons hostel achter. Wat bleek, na elke 300 meter stond er een politieagent (dus het verhaal was wel ergens op gebaseerd, want dat zie je niet op de Markt in Deventer). Daarbij, het was een behoorlijk zware klim. Volgens mij zijn er makkelijkere plekken om rond te hangen wachtend op een slachtoffer in een stad als Bogota.

Desondanks waren veel deuren standaard op slot. Om ons hostel in Bogota binnen te komen moesten we altijd aanbellen. Na een tijdje ging een kijkluikje open en als een koekoeksklok stak er dan een gezicht naar buiten om te kijken of het goed volk was. In Quito, Ecuador, verbleven we in een ranch-achtige hotel met enorme muren en twee grote honden. Galapagos was in vele opzichten een paradijs, niet in de laatste plaats vanwege het grote gevoel van veiligheid. Mensen liepen op straat met camera’s, laptops, tablets en wat niet – kennelijk was er van onveiligheid geen sprake; Galapagos is het Vorden van Ecuador. Guayaquil was wat gesloten deuren betreft een toppunt. De plaatselijke winkeltjes hadden hun hek standaard op slot. Als je iets wilde, moest je het van achter het hek duidelijk zien te maken aan de persoon die in de winkel stond. In ons geval een oud mannetje met slecht gehoor. Even snel boodschappen doen zit er dan niet in, zeker niet als je niet de taalbeheersing hebt in het Spaans om de producten te omschrijven.

In Lima verbleven we in een rijkere wijk waar kennelijk geen problemen waren. Nazca was hetzelfde en in Cusco, waar we nu zijn, zijn de meeste hotels weer standaard op slot. Maar waarschijnlijk werken de grootste boeven hier in de toeristenindustrie. 5 euro voor een foto met een baby lama en baby alpaca...



*Waar Heineken Mexico zelfs in bepaalde wijken bier bezorgde met ezels in plaats van vrachtwagens, omdat de vrachtwagens onherroepelijk gestolen worden.

--------English----------

Where there is poverty, there is crime. That is at the same time the proof that poverty still exists in The Netherlands.

We flew to Panama City. “Oh-oh, Panama…” everybody said after the story of the two girls who disappeared. Surely the two good-looking young Dutch girls had to be kidnapped! Or adolescent-napped, since they were no kids anymore. I talked to travellers in Panama City that did not dare to go to Boquette anymore because of that. Ultimately it appears that the girls simply got lost; a sad case of own mistakes…

In February I was in the north of Mexico, where we were not allowed to go on the streets* and where shootings were reported daily. The Dutch Ministry of Foreign Affairs warned travellers for basically every country we have been to or where we will go to. So I am careful everywhere. But it fades.

Every country has its own peculiarities when it comes to safety and preventing theft. In the big shopping street in Panama City you were not allowed to enter a store with a bag. Not even with a bag from the store next door that was sealed with staples, including the receipt. So next to every store there was a small room where you had to leave your stuff in exchange for a shopping cart. It really impedes going in and out of stores as soon as you have bought something. Another way of anti-theft measurements was the personal stalker: as soon as you set foot in the store, someone would tail you until you left the premises again.

When we set foot on land in Cartagena, Colombia, I was sure that around the corner people were just waiting to find the right moment to grab for one of our bags on the sidewalk. Taxi drivers were not to be trusted of course. Eventually Cartagena ended up being not more dangerous than Coventry. A fellow traveller from England had a chat with a local one day, which ended up in a mutual goodbye-hug. That the Englishman checked his wallet right after the encounter is hilarious of course.

Taganga was infamous for the 100% chance of being robbed on a hike to a remote beach, or as soon as it got dark in every random street. With my tail between my legs I walked the town’s dirt roads with more craters than there are on the moon. Every individual was a potential robber. The neighbourhood that you have to cross to get into Taganga was a slump, where bikers should not even think about stopping. A neighbourhood like that. An area like that. Taganga had a very bad reputation, but last year some cleansing activities have been done and now it is as safe as Hillfields, Coventry.

The odd thing is that when you are surrounded by fellow travellers in a park for which you have to pay an entrance fee (for instance Tayrona Park) the sense of safety increases dramatically. Nevertheless we learned from the 72 year old Norwegian Steinar that especially this group is to be trusted the least! I quote: “Backpackers constantly have a lack of money and are continuously inebriated or high on drugs. As soon as they see something of value, they will steal it if they get the chance.”. The idea that you can simply loose or forget valuable stuff apparently did not emerge to him. It was probably his age.

The hike to the mountain top in Bogota was described by the Lonely Planet as “risky”. So I left as many valuables behind in the hostel as I thought was wise. It turned out to be the safest hike we have done so far; at every 300 meters or so an officer was standing and watching (which makes it more believable that something was needed to change there, because you do not see that at Swanswell Park in Coventry). Add to that the altitude and the steepness of the hike path; I think that there are easier spots to wait for a potential victim in a city like Bogota.

Nonetheless, most doors were locked by default. To get into our hostel in Bogota we always had to ring the doorbell. Seconds later a looking window was opened like a cuckoo-clock showing a face checking out whether it was good people or not. In Quito, Ecuador, we stayed at a ranch-like hotel with big walls, a gate and two big dogs. Galapagos was in many ways a paradise, also because of the sense of safety. People were walking on the streets with cameras, laptops, tablets and what not – apparently there was no fear. Galapagos in that sense is the Birkshire of Ecuador (http://www.telegraph.co.uk/property/9625415/Top-ten-safest-places-to-live.html). Guayaquil was the summit when it comes to closed doors. The local stores kept their gates closed and locked at any time. If you wanted to buy something, you had to make it clear to the owner in some way or another. In our case it was an old man with bad hearing. Doing some quick groceries is not possible there, especially with our lack of Spanish language skills to describe the desired items.

In Lima we stayed in an affluent part of the city where apparently there were no safety problems. Nazca was the same and in Cusco, where we are now, most of the hotels keep their doors closed. But most likely the biggest robbers in Cusco work in the tourist industry. 7 US Dollars for one picture with a baby alpaca and baby lama…



*Where Heineken Mexico in certain areas delivers with donkeys instead of trucks, because the trucks inevitably got stolen.

zaterdag 5 juli 2014

Kijk mensen, zo kan het dus ook!

Vantevoren vonden we 12 dagen enigszins aan de lange kant. Maar nu zeg ik dat het het absolute minimum is om de Galapagos eilanden te bekijken! Na 12 dagen kon ik nog net zo enthousiast zijn over een spelende zeeleeuw (ook al zie je ze veel meer liggen slapen) of een langs sjokkende leguaan; je hebt echt het gevoel dat je in een grote dierentuin bent. 



Terzijde, als je ziet hoe de zeeleeuwen zich gedragen als ze gaan “slapen” ’s nachts, begrijp je ook meteen waarom ze overdag zoveel slaap moeten inhalen. Een geroep, gegorchel, geblèr, gebijt en gewandel van de enorme groep zeeleeuwen maakt dat ze ’s nachts nauwelijks een oog dicht doen!



De eilanden staan op de Unesco werelderfgoederenlijst en zijn sinds 2007 “in gevaar”. Het is een ongekende prestatie van de overheid dat ondanks de enorme (!) vloed aan toeristen, waaronder opvallend veel Amerikanen, de eilanden er bij liggen zoals ze er bij liggen. Zo goed als geen afval in het water (terwijl er vier oceaanstromen richting de eilanden stromen), veel projecten om de in grote getalen afgeslachte schildpadden weer terug te brengen en honderden verschillende bestemmingen waar een georganiseerde tour naar toe gaat. Op de meeste plekken staan informatieborden,  bescheiden afzettingen waar het nodig is (leef- en broedgebieden) en op elk eiland is op z’n minst een informatiecentrum. Elk eiland kent een eigen flora en fauna en dus wordt je tas verzegeld voordat je een ander eiland verlaat. Het standaard praatje “Geen planten? Geen dieren? Geen zaden?” kon ik na een tijdje opdreunen voordat de ambtenaar het  deed. 

En wat het meeste opvalt is de mentaliteit van de lokale mensen: afval van bijvoorbeeld een uitheemse fruitsoort als een banaan wordt niet in de oceaan geslingerd, maar bewaard in een afvalzak en later gescheiden afgevoerd. De taxichauffeur die ons naar de haven bracht voor een tour toeterde en remde voor elke kleine vogel op de weg. Nergens zag je de bergen afval die je wel ziet in steden in de rest van Latijns Amerika, voor zover ik dat heb gezien nu. En er waren veel straatvegers voor het weinige afval dat wel per ongeluk op straat belandde.

Over die vogeltjes gesproken; het is heel bijzonder om het fundament van de evolutietheorie in de praktijk te zien. Volgens Darwin zouden vinken die op een eiland leven met een specifiek voedsel in overvloed zich aanpassen om dit voedsel zo eenvoudig mogelijk te krijgen. Dus op het eiland met de harde nootjes ontwikkelden de vinken een sterke snavel, terwijl op het eiland met de moeilijker te bereiken insectjes de snavel langer werd. En die vogeltjes fladderden rond zonder zich echt aan mensen te storen. Vandaar ook dat de taxichauffeur telkens toeterde, want echt vliegen konden die beesten niet. Kennelijk was vliegen geen kwaliteit die onderscheid maakte op de eilanden. Of het was de primaire aanleiding voor deze vogels om het eiland niet meer af te kunnen.

Op een van de dagen maakten we een wandeltocht naar de krater van een vulkaan. Het is niet eenvoudig om te beschrijven wat een omvang zoiets heeft, maar hopelijk dat deze foto dat kan.




Inmiddels op weg naar Cusco in Peru, om een ander wereldwonder te bekijken.