vrijdag 6 februari 2015

Een lekke band (alweer), versierde noten en een iets te diepe rivierbedding

Autorijden in Namibië (in Engels, spreek uit: Nö-mib-bih-jö, niet Nä-mie-bie-jaa) is een avontuur op zich. In de stadjes rijden genoeg auto’s om verkeerslichten te rechtvaardigen, maar meestal zijn het stopborden. De gemiddelde Namibiër rijdt zo slecht, dat de autoriteiten geen andere oplossing zien dan op elke mogelijk gevaarlijke kruising (lees: bijna elke kruising) een stopbord voor elke richting neer te zetten. Het land is zo leeg dat voor het overgrote deel je jezelf voor gek voelt staan als je weer voor een volledig verlaten kruispunt tot stilstand moet komen.

Na 10 dagen Walvis Bay, vertrokken we richting het noorden vanuit Swakopmund, een door onze hostes omschreven “heerlijk Duits stadje”. De gemiddelde leeftijd moet rond de 60 liggen en ik kreeg de indruk dat de Duitse middenklasse van rond die leeftijd besluit de modale levenstijl in Die Heimat te verruilen voor een heerlijk leventje onder de Afrikaanse zon. En geef ze eens ongelijk! Duitse producten in de supermarkt, Duitssprekende bediening, Duitse gerechten en menukaarten in het Duits.

Onze eerste bestemming was een zeehondenkolonie. Niet te beschrijven! Toch probeer ik het. Beschrijving: duizenden zeehonden, stank, herrie, schreeuwende baby’s, dode baby’s, vechtende moeders, zwemmende zeehonden, zeehonden die overelkaar heen vallen in de sterke golven. Indrukwekkend, maar bovenal heel vies...




We vervolgden onze weg naar het stadje Khorixas (spreek uit: Goorigas, door mij standaard uitgesproken als Chorizo) dat via een voor het land kenmerkende gravelweg te bereiken was. Na 50 kilometer hoorde ik een onbekend geluid en het bleek dat onze band lek was. Gravel betekent eigenlijk een relatief hard aangestampte bende stenen die af en toe los liggen en behoorlijk scherp kunnen zijn. Dit keer hadden we een VW Polo gehuurd, een auto met maar één reserveband. De wieldop zat vast met een tie-rip, maar we hadden geen schaar en geen mes om bij de schroeven van de band te komen... Gelukkig kwam er na vijf minuten een auto langs en die stopte. Vijf mensen kwamen naar buiten zetten, de vrouw naast de bestuurder hield een grote fles bier in haar hand. “In de woestijn moet je improviseren!” riep de man en liep direct naar de berm op zoek naar een fles. Die werd gevonden en stuk geslagen op de in overvloed aanwezige stenen. Even bekroop me een unheimisch gevoel: dat ging wel heel natuurlijk. Ik ken dat alleen uit films en dan wordt het als wapen in een bar gebruikt. Maar het werkte niet! De man zei: “We laten jullie niet alleen totdat het is geregeld.” Toen stapte een zesde persoon uit de auto, haalde een mes tevoorschijn, sneed het ripje door en ging weer terug de auto in ging. Bedankt! En ze vertrokken.

De band was snel verwisseld en wij konden ook verder, met samengeknepen billen vanwege de kwaliteit van de weg en de afstand die we nog moesten afleggen. De regenval had op delen van de weg het zand weggeslagen en de stenen stonden fier overeind om een van onze banden te grazen te nemen. Maar het lukte zonder ongelukken en kwamen veilig aan in het kampement. ’s Ochtends checkten we uit bij een man van rond de 200 kilo. De muffin, ons toegestopt door de vriendelijke bediening, die we niet meer op konden maar ook niet weg durfden te gooien werd geofferd en met een twinkeling in de ogen zei hij dat hij ons er graag vanaf hielp. We reden naar het plaatselijke tankstation waar ze ook banden konden verwisselen. Wat een schouwspel. Allereerst moet je weten dat elke pompbediende je wenkt en wijst naar de plek waar je kunt tanken, zelfs als je niet eens de intentie hebt te gaan tanken. Nee we willen niet tanken! Toen we uitlegden een nieuwe band nodig te hebben, kwamen er nog meer mannetjes rondom onze auto. Twee westerse personen, dat is interessant. Een man die duidelijk niet voor het tankstation werkte hing ook rond, met een plastic zak. Hij begon tegen me te praten en vroeg hoe ik en Tina heetten. D-A-N? Neehee, dubbel A, legde ik uit. Ondertussen was er getelefoneerd en kwamen er twee mannen in een auto aanzetten die onze band wilde bekijken. De namen de maat op en vertrokken. Tien minuten later verschenen ze weer, met een band geklemd tussen hen in. Het bleek niet de goeie maat, maar volgens de mannen paste dit ook wel. Nee dus, maar wel bedankt. Daarna kwam er een andere man met een overduidelijk gebruikte band, van wel de juiste maat. Ook bedankt, maar nee. We besloten 130 kilometer te rijden over asfalt om naar de garage die door de verhuurmaatschappij werd aangeraden te gaan. Zonde van de tijd, 260 kilometer omrijden, maar ons doel van de dag lag aan wederom een gravelweg en we wilden het risico niet lopen. Voordat we wegreden riep de man met de plastic zak mij en zette iets van kunst op een soort van kastanje voor zich neer. We zijn inmiddels gepokt en gemazeld als het om dit soort mensen gaat en ik wilde al “Nee dankje” zeggen toen ik beter keek en ik mijn eigen naam en die van Tina zag. Had hij een verzameling vooraf gemaakte noten?! Toen zette hij een derde noot neer met de naam “Angela”. Ik dacht, dit is wel heeeel toevallig; het is immers de naam van mijn moeder! Toen de vierde en laatste noot de naam van Tina’s moeder bevatte viel het nootje: hij had ze terwijl wij bezig waren met die band uit gegraveerd. En nu bood hij ze te koop aan. Een groot risico! Immers, als wij ze niet zouden kopen zal het lastig worden voor hem om ze alsnog ergens te slijten. Tina wist met haar onderhandelingstalent een goeie prijs te regelen en de (stinkende! Vonden we later uit) kastanjes gingen mee.

Uiteindelijk reden we 13:00u Kharixas weer in, dit maal met een nieuw reservewiel. We stopten niet, maar reden direct door naar een plek met versteende bomen en daarna een plek met eeuwenoude rotstekeningen. 



Iedereen die hoorde dat wij diezelfde dag nog naar Etosha National Park moesten slaakte een zucht van verwondering: oef, dat is nog ver! Op de terugweg, maar nog altijd op de gravelweg, reden we door een rivierbedding. Dat was ’s ochtends geen probleem gebleken, maar ’s middags bleek het spoor dieper en het gedeelte tussen de sporen hoger. We kwamen vast te zitten... Ik stapte uit, laadde wat tassen uit en probeerde te duwen, terwijl Tina gas gaf. We groeven ons alleen maar dieper in. We besloten al het zand onder de auto vandaan te graven zo veel het kon, maar het zag er niet goed uit... Er kwam na een kwartier een auto met een man en een vrouw die direct begonnen te helpen met graven. Uiteindelijk duwden/tilden we de auto eerst naar achter en kon Tina vol gas het resterende gedeelte (wat ik inmiddels handmatig had geëgaliseerd, in de brandende zon) afleggen zonder mijn gewicht. Het kostte wat steenslag, maar ze haalde het! 

De beruchte rivierbedding!

De laatste kilometers gingen over asfalt en los van de gepiekeerde gebarende lifters die wij stelselmatig negeerden, zonder noemenswaardige incidenten. Oja, een noodstop voor een geschrokken hertje na zonsondergang. Ach, dat kan ook in de Achterhoek gebeuren. Etosha is een prachtig park met veel wild. Het kent veel drinkplaatsen waar de dieren zich verzamelen, maar omdat het regentijd is (het had zelfs twee weken geleden nog geregend!) is er voldoende water in het park en worden de drinkplaatsen minder druk bezocht. Nieuw voor ons waren drinkende giraffes en het hoge aantal zebra’s. Verder een zwarte neushoorn die ik klunzig wegjoeg met een simpele stoot van mijn elleboog tegen een houten bankje en nog meer drinkende giraffes.