Autorijden in Namibië
(in Engels, spreek uit: Nö-mib-bih-jö, niet Nä-mie-bie-jaa) is een avontuur op
zich. In de stadjes rijden genoeg auto’s om verkeerslichten te rechtvaardigen,
maar meestal zijn het stopborden. De gemiddelde Namibiër rijdt zo slecht, dat
de autoriteiten geen andere oplossing zien dan op elke mogelijk gevaarlijke
kruising (lees: bijna elke kruising) een stopbord voor elke richting neer te
zetten. Het land is zo leeg dat voor het overgrote deel je jezelf voor gek
voelt staan als je weer voor een volledig verlaten kruispunt tot stilstand moet
komen.
Na 10 dagen
Walvis Bay, vertrokken we richting het noorden vanuit Swakopmund, een door onze
hostes omschreven “heerlijk Duits stadje”. De gemiddelde leeftijd moet rond de
60 liggen en ik kreeg de indruk dat de Duitse middenklasse van rond die
leeftijd besluit de modale levenstijl in Die Heimat te verruilen voor een
heerlijk leventje onder de Afrikaanse zon. En geef ze eens ongelijk! Duitse
producten in de supermarkt, Duitssprekende bediening, Duitse gerechten en
menukaarten in het Duits.
Onze eerste bestemming was een zeehondenkolonie. Niet
te beschrijven! Toch probeer ik het. Beschrijving: duizenden zeehonden, stank,
herrie, schreeuwende baby’s, dode baby’s, vechtende moeders, zwemmende
zeehonden, zeehonden die overelkaar heen vallen in de sterke golven. Indrukwekkend,
maar bovenal heel vies...
We vervolgden
onze weg naar het stadje Khorixas (spreek uit: Goorigas, door mij standaard
uitgesproken als Chorizo) dat via een voor het land kenmerkende gravelweg te
bereiken was. Na 50 kilometer hoorde ik een onbekend geluid en het bleek dat
onze band lek was. Gravel betekent eigenlijk een relatief hard aangestampte
bende stenen die af en toe los liggen en behoorlijk scherp kunnen zijn. Dit
keer hadden we een VW Polo gehuurd, een auto met maar één reserveband. De wieldop
zat vast met een tie-rip, maar we hadden geen schaar en geen mes om bij de
schroeven van de band te komen... Gelukkig kwam er na vijf minuten een auto
langs en die stopte. Vijf mensen kwamen naar buiten zetten, de vrouw naast de
bestuurder hield een grote fles bier in haar hand. “In de woestijn moet je
improviseren!” riep de man en liep direct naar de berm op zoek naar een fles.
Die werd gevonden en stuk geslagen op de in overvloed aanwezige stenen. Even
bekroop me een unheimisch gevoel: dat ging wel heel natuurlijk. Ik ken dat
alleen uit films en dan wordt het als wapen in een bar gebruikt. Maar het
werkte niet! De man zei: “We laten jullie niet alleen totdat het is geregeld.”
Toen stapte een zesde persoon uit de auto, haalde een mes tevoorschijn, sneed
het ripje door en ging weer terug de auto in ging. Bedankt! En ze vertrokken.
De band was snel
verwisseld en wij konden ook verder, met samengeknepen billen vanwege de
kwaliteit van de weg en de afstand die we nog moesten afleggen. De regenval had
op delen van de weg het zand weggeslagen en de stenen stonden fier overeind om
een van onze banden te grazen te nemen. Maar het lukte zonder ongelukken en
kwamen veilig aan in het kampement. ’s Ochtends checkten we uit bij een man van
rond de 200 kilo. De muffin, ons toegestopt door de vriendelijke bediening, die
we niet meer op konden maar ook niet weg durfden te gooien werd geofferd en met
een twinkeling in de ogen zei hij dat hij ons er graag vanaf hielp. We reden
naar het plaatselijke tankstation waar ze ook banden konden verwisselen. Wat
een schouwspel. Allereerst moet je weten dat elke pompbediende je wenkt en
wijst naar de plek waar je kunt tanken, zelfs als je niet eens de intentie hebt
te gaan tanken. Nee we willen niet tanken! Toen we uitlegden een nieuwe band
nodig te hebben, kwamen er nog meer mannetjes rondom onze auto. Twee westerse
personen, dat is interessant. Een man die duidelijk niet voor het tankstation werkte
hing ook rond, met een plastic zak. Hij begon tegen me te praten en vroeg hoe
ik en Tina heetten. D-A-N? Neehee, dubbel A, legde ik uit. Ondertussen was er
getelefoneerd en kwamen er twee mannen in een auto aanzetten die onze band
wilde bekijken. De namen de maat op en vertrokken. Tien minuten later
verschenen ze weer, met een band geklemd tussen hen in. Het bleek niet de goeie
maat, maar volgens de mannen paste dit ook wel. Nee dus, maar wel bedankt.
Daarna kwam er een andere man met een overduidelijk gebruikte band, van wel de
juiste maat. Ook bedankt, maar nee. We besloten 130 kilometer te rijden over
asfalt om naar de garage die door de verhuurmaatschappij werd aangeraden te
gaan. Zonde van de tijd, 260 kilometer omrijden, maar ons doel van de dag lag
aan wederom een gravelweg en we wilden het risico niet lopen. Voordat we
wegreden riep de man met de plastic zak mij en zette iets van kunst op een
soort van kastanje voor zich neer. We zijn inmiddels gepokt en gemazeld als het
om dit soort mensen gaat en ik wilde al “Nee dankje” zeggen toen ik beter keek
en ik mijn eigen naam en die van Tina zag. Had hij een verzameling vooraf
gemaakte noten?! Toen zette hij een derde noot neer met de naam “Angela”. Ik
dacht, dit is wel heeeel toevallig; het is immers de naam van mijn moeder! Toen
de vierde en laatste noot de naam van Tina’s moeder bevatte viel het nootje:
hij had ze terwijl wij bezig waren met die band uit gegraveerd. En nu bood hij
ze te koop aan. Een groot risico! Immers, als wij ze niet zouden kopen zal het
lastig worden voor hem om ze alsnog ergens te slijten. Tina wist met haar onderhandelingstalent
een goeie prijs te regelen en de (stinkende! Vonden we later uit) kastanjes
gingen mee.
Uiteindelijk reden we 13:00u Kharixas weer in, dit maal
met een nieuw reservewiel. We stopten niet, maar reden direct door naar een
plek met versteende bomen en daarna een plek met eeuwenoude rotstekeningen.
Iedereen
die hoorde dat wij diezelfde dag nog naar Etosha National Park moesten slaakte
een zucht van verwondering: oef, dat is nog ver! Op de terugweg, maar nog
altijd op de gravelweg, reden we door een rivierbedding. Dat was ’s ochtends
geen probleem gebleken, maar ’s middags bleek het spoor dieper en het gedeelte
tussen de sporen hoger. We kwamen vast te zitten... Ik stapte uit, laadde wat
tassen uit en probeerde te duwen, terwijl Tina gas gaf. We groeven ons alleen
maar dieper in. We besloten al het zand onder de auto vandaan te graven zo veel
het kon, maar het zag er niet goed uit... Er kwam na een kwartier een auto met
een man en een vrouw die direct begonnen te helpen met graven. Uiteindelijk duwden/tilden
we de auto eerst naar achter en kon Tina vol gas het resterende gedeelte (wat
ik inmiddels handmatig had geëgaliseerd, in de brandende zon) afleggen zonder
mijn gewicht. Het kostte wat steenslag, maar ze haalde het!
![]() |
| De beruchte rivierbedding! |
De laatste
kilometers gingen over asfalt en los van de gepiekeerde gebarende lifters die
wij stelselmatig negeerden, zonder noemenswaardige incidenten. Oja, een
noodstop voor een geschrokken hertje na zonsondergang. Ach, dat kan ook in de
Achterhoek gebeuren. Etosha is een prachtig park met veel wild. Het kent veel
drinkplaatsen waar de dieren zich verzamelen, maar omdat het regentijd is (het
had zelfs twee weken geleden nog geregend!) is er voldoende water in het park
en worden de drinkplaatsen minder druk bezocht. Nieuw voor ons waren drinkende
giraffes en het hoge aantal zebra’s. Verder een zwarte neushoorn die ik klunzig
wegjoeg met een simpele stoot van mijn elleboog tegen een houten bankje en nog
meer drinkende giraffes.









Wat een prachtig verhaal weer Daan!
BeantwoordenVerwijderen